Illustratie door Corey Brickley 

De eerste keer dat ik iemand liet doodgaan

Op een vroege dinsdagochtend begon ik met een poging om het leven te redden van een vrouw die betrokken was bij een auto-ongeluk.

|
dec. 16 2016, 12:46pm

Illustratie door Corey Brickley 

Ik was 27 toen ik voor het eerst iemand liet doodgaan. Dertien maanden na mijn studie geneeskunde, in het tweede jaar van een achtjarige opleiding tot hersenchirurg in een grote kliniek in het zuiden van Californië, had ik de leiding over de neurochirurgische intensive care-afdeling. Voor ze je leerden hoe je moest opereren, moest je een paar jaar leren om de medicinale zorg voor patiënten met een hersenbeschadiging onder de knie te krijgen, dus dat was ik aan het doen. Dit was na de eerste maand van een periode van een jaar, waarin ik 120 uur per week moest werken, met standaard drie 36-uursdiensten per week. (Deze diensten zijn inmiddels verboden.)

Het "slaapvertrek" van het ziekenhuis mocht die naam niet dragen. We sliepen nooit. Maar op de vijfde verdieping was een kamer ter grootte van een kast met een stapelbed en een telefoon, waar je tenminste even horizontaal kon gaan terwijl je de berichten op je pieper beantwoordde die maar bleven binnenkomen. Ik raakte gewend aan de piepjes, maar soms schudde de kamer—dat betekende dat de traumahelikopter iemand kwam brengen, en ik hoogstwaarschijnlijk opgepiept werd.

Op een dinsdagochtend voelde ik rond 3 uur de kamer schudden. Op mijn pieper stond: Trauma Reanimatie Arriveert over 3 minuten. Dat betekende dat ik over drie minuten klaar moest staan om een patiënt op te vangen, want er werd iemand naar de eerste hulp gebracht, op het randje van de dood.

De hulpverleners in de helikopter lieten ons van tevoren weten dat er een "34V, status na auto-ongeluk, buiten bewustzijn met vergrootte pupil, scheur in schedel en meerdere botbreuken," binnen kwam: een 34 jarige vrouw die een auto-ongeluk had gehad en niet wakker was of ergens op reageerde. Haar hart klopte zelfstandig, maar ze moesten haar handmatig beademen door een ballon samen te knijpen, twintig keer per minuut – een proces dat bekend staat als "bagging". Toen de hulpverleners haar uit de auto haalden zagen ze gebroken botten en bloed dat uit de bovenkant van haar hoofd druppelde. Het belangrijkste is dat de zwarte cirkels in haar blauwe ogen niet van gelijke grootte waren; de "vergrote pupil" was een duidelijk teken van ernstige hersenschade en een gevaarlijk hoge hersendruk. Dat is waarom de afdeling neurochirurgie was opgeroepen.

Moe maar alert rende ik via de trap naar de tweede verdieping. Het traumateam was al samengesteld: chirurgen, zusters, technici en studenten. De hulpverleners duwden haar brancard haastig door twee gigantische deuren die automatisch opengaan. We bogen ons met z'n allen over haar heen, wetend welke rol we moesten vervullen, en in een vast ritme handelden we hiernaar. Een anesthesist incubeerde haar, zodat een ventilator lucht in haar longen kon blazen, aangezien haar hersenen haar ademhaling niet meer controleerden. Er werden foto's gemaakt die het vermoeden van gebroken botten bevestigden, maar waarop te zien was dat de breuken niet levensbedreigend waren. Scans lieten echter beschadigde en gezwollen hersenen zien, die direct behandeld moesten worden. Door het heftige ongeluk waren haar hersenen tegen de binnenkant van haar schedel aangesmeten en, net zoals al het andere weefsel, zetten hersenen op als ze geraakt worden.

"De druk binnenin was al zo hoog dat de heldere hersenvloeistof uit het einde van de katheter de lucht in spoot."

Aangezien de schedel niet kan oprekken, moest ik ruimte maken voor de opzwellende hersenen, zodat ze zichzelf niet kapot zouden drukken tegen de schedelwand. Gelukkig zijn hersenen net als een meloen, op de manier dat ze hun eigen vochtreservoirs hebben die je makkelijk kunt bereiken en leeg kunt laten lopen. Dus zette ik een boor van 20 centimeter op een handboortje en zette 'm vast met een inbussleutel. Ik maakte een kleine snee zodat ik bij de schedel kon. Mijn linkerhand hield de boor stevig vast en de rechter draaide aan het hengsel. Ik maakte een gat en duwde een holle katheter zeven centimeter door haar frontale kwab en in de mysterieuze vochtmeren in haar hersenen. De druk binnenin was al zo hoog dat de heldere hersenvloeistof uit het einde van de katheter de lucht in spoot. Haar verwonding was globaal dus ze had geen hersenoperatie nodig, maar ze moest constant verzorgd worden op de intensive care. Twee uur nadat ze was aangekomen op de eerste hulp hadden de ventilator en hersenkatheter haar glijvlucht richting de dood een halt toegeroepen. Deze stappen en de daarop volgende gaven haar een overlevingskans van ongeveer 20 procent, schatten we.

De vier weken daarna had deze patiënt mijn volledige aandacht. Met Mannitol en andere vochtafdrijvende middelen, probeerde ik haar drassige hersenweefsel uit te drogen en haar zwelling in te tomen. Toen de aderen in haar armen te dun werden om de hoeveelheid medicijnen te kunnen verwerken, prikte ik in haar dikke nekaderen en zette daar de grotere katheters in voor betere toegang. Toen ze een klaplong kreeg sneed ik tussen haar ribben en deed ik er een slang in om de long leeg te zuigen. De zwellingen kwamen iedere twintig minuten terug, en tijdens deze aanvallen hielden de IC-zuster en ik bij hoe lang het duurde voor verschillende medicijnen – diuretica, kalmeringsmiddelen, verdovingsmiddelen, verlammingsmiddelen – werden opgenomen, in de hoop dat we konden voorkomen dat de drukgolven in haar schedel over het toppunt zouden gaan. Haar kwetsbaarheid eiste zoveel constante aandacht dat de IC-zuster en ik om de dag de hele nacht aan haar bed zaten.

26 dagen nadat ze in het ziekenhuis was binnengebracht, was er op haar dagelijkse hersenscan iets te zien dat niet we niet konden negeren. Iets waar chirurgen waarschijnlijk nooit antwoord op zullen krijgen. In een deel van haar hersenen stroomde geen bloed meer, en het had de donkergrijze kleur van dood hersenweefsel. Ze had een hersenstamberoerte gehad. De hersenstam is het diepe deel van je hersenen dat haast nooit in beeld wordt gebracht. Het is als de stam van een paddenstoel of zo, ons reptielenbrein, het deel dat al onze automatische functies bedient. Het zorgt ervoor dat je kunt ademen wanneer je slaapt en je ogen kunt openen wanneer je wakker wordt. De denkende hersenen (de frontale kwab) zijn nutteloos zonder het reptielendeel, en wanneer de hersenstam is beschadigd zal de patiënt nooit meer zonder hulp van machines kunnen leven. Nooit meer zelf kunnen ademen. Nooit meer wakker worden. Bij deze beschadiging zijn wonderen uitgesloten.

"In crises horen mensen je woorden niet – ze voelen je energie."

Het ingewikkelde van wat er gebeurd was is zelfs voor normale dokters moeilijk om te begrijpen, laat staat voor getraumatiseerde familieleden. Na vier weken had ik de familie van de patiënt goed leren kennen, maar de emotionele sfeer die tijdens die "familiebijeenkomst" in de lucht hing, waar ik alle hoop dat ze het zou overleven moest wegnemen, is moeilijk om in geschreven woorden vast te leggen. In crises horen mensen je woorden niet – ze voelen je energie. Ze hebben het nooit compleet begrepen, maar ze vertrouwden me. De volgende dag vroegen ze me om hen te begeleiden in het proces richting haar dood.

Voordat ze haar voor de laatste keer kwamen zien, wilde ik dat ze er net zo uitzag als hoe haar familie haar herinnerde, dus vroeg ik de zusters om me te helpen. De IC-zusters wisten als geen ander hoe hard ik mijn best had gedaan om haar te redden, en hoe ik gefaald had. Ik verwijderde de koude, steriele katheters en buisjes uit haar nek, borst en hersenen. Het voelde voor mij als de overblijfselen van een verscheurde parachute die niet open was gegaan. Alleen een katheter voor morfine in de binnenkant van haar elleboog bleef zitten. Ik maakte de ventilator los en haalde de tube uit haar keel. De zuster kamde haar haar voor de laatste keer en toen brachten we de familie naar binnen om bij haar te zijn. Een paar uur later eindigde haar neerwaartse spiraal, die ik 28 dagen had weten te vertragen.

We hebben elkaar nooit op een normale manier ontmoet; Ik heb haar nooit leren kennen. Mijn inspanningen lieten haar achter met fysieke littekens en zij liet mij achter met emotionele, diep in de kronkels van mijn brein. Tegen het einde van dat jaar had ik nog 24 mensen laten sterven. Iedere familie waardeerde hoe hard ik mijn best deed; veel mensen nodigden me uit op de begrafenissen, één keer ben ik gegaan. Maar zij was mijn eerste. Ik denk, bijna twintig jaar en duizenden patiënten later, nog steeds aan haar. Om voor hen die gaan sterven te zorgen moet je je op je gemak voelen rondom de dood. Ik ben dat nog steeds niet. Maar littekenweefsel is sterk.