Ik praat als vrijwilliger met suïcidale mensen die de crisislijn 113 bellen

Ik heb nog nooit iemand gesproken van wie ik dacht dat het beter was dat die persoon zichzelf inderdaad van het leven zou beroven.

|
mei 18 2018, 12:28pm

Foto van en via Niels de Jong.

Ik zag haar zo voor me. Hoe ze daar als bejaarde vrouw zat in haar rijtjeshuis in een klein dorpje, zo alleen en uitzichtloos wachtend. Haar familie was dood en zelf had ze geen kinderen. Ze was al drie keer naar de huisarts geweest, maar die had alleen gezegd dat ze een depressie had en haar wat pillen in de hand geduwd. “Ik zit hier in een strenggelovige gemeenschap,” zei ze, “en het mag ook echt niet van God. Maar ik zou zo graag dood willen.” Ik begreep het. Ik luisterde, zei tegen haar dat ik begreep hoe zwaar ze het had, en leefde met haar mee. Hoe uitzichtloos ook, er zijn altijd alternatieven. Kon ze misschien naar een andere huisarts? Of was er een andere sociale gelegenheid waar ze zich op kon verheugen, zoals een hobbyclub?

In Nederland maken dagelijks 5 mensen een einde aan hun leven en nog eens ongeveer 260 doen een poging daartoe. Het aantal mensen dat aan zelfmoord denkt is veel hoger: zeker 410.000 per jaar. Het is dus hard nodig dat wij er zijn. Mensen met suïcidale gedachten en hun naasten kunnen dag en nacht anoniem en gratis chatten of bellen met iemand van 113 over hun zorgen en over hun doodswens, of die van een geliefde. Van de 150 gesprekken die we bij 113 Zelfmoordpreventie krijgen op een dag, voer ik er 7 tot 10.

Mijn eerste gesprek zal ik nooit vergeten. Stijf van de adrenaline draaide ik mijn eerste dienst. “Ik was hier een maand geleden ook al, toen sprak ik een collega van jou en die was veel beter. Aan jou heb ik niks, dit is een waardeloos gesprek!” snauwde een dame naar me. Toen hing ze op. Ik legde trillend de telefoon neer. Die nacht heb ik niet heel goed geslapen, maar toch keek ik ernaar uit om de volgende dag weer aan de slag te gaan.

De jongste suïcidale persoon die ik sprak was 10.

Ik was vroeger dj en draaide in discotheken, maar dat werd me op een gegeven moment te commercieel. Ook schreef ik gedichten, maar daar valt geen droog brood mee te verdienen. Het werd tijd voor iets anders. Ik ben filosofisch ingesteld en vind het interessant om te zien wat mensen motiveert, hoe ze zich uiten en in de complexere kanten van het bestaan. Daarom ging ik op mijn 32ste weer studeren: psychologie. Ik wilde graag betaald werk, maar dat is moeilijk zonder ervaring. Om snel die ervaring op te doen, meldde ik me aan als vrijwilliger bij 113. Ik werd uitgenodigd voor een gesprek.

Vier dagen kreeg ik in een groepstraining met gesprekstechnieken en theoretische uitleg over hoe iemand tot zelfmoord kan komen, maar daarna pas kwam de echte test: een proefgesprek. Ik had door mijn opleiding al veel kennis, maar hoe reageer je als iemand echt tegen je zegt dat ze er een eind aan gaat maken? Ook al wist ik dat het gesprek nep was, was dat heel eng en ik stond echt met een mond vol tanden. Inmiddels kan ik er gelukkig beter mee omgaan.

Tijdens mijn diensten spreek ik mensen uit elke laag van de bevolking, de jongste persoon die ik sprak was 10 en de oudste 73. Elke fase in het leven brengt weer andere problemen met zich mee: kinderen en jongeren die worden gepest, een nare thuissituatie hebben of helemaal geen thuis, expats die niet kunnen voldoen aan de verwachtingen van familie in hun thuisland, volwassenen die zelf kinderen hebben zien alles kapot gaan of worden uit hun huis gezet, ouderen vereenzamen. Ook spreek ik veel mensen met psychische problemen, die komen vaak ook terug. Dat noemen we veelbellers of -chatters. Vaak testen ze in een gesprek of jij ze wel echt wil helpen.

Ik leef me in iedereen in en stel me voor wat hun overwegingen zijn. Het is belangrijk om mee te geven dat zelfmoord geen taboe is. Dat ze erover mogen nadenken, en het iets is waar we het open over kunnen hebben.

Een van de eerste vragen die we stellen is of iemand veilig is en op een rustige plek met ons het gesprek aan kan gaan. Tijdens het gesprek gaan we het namelijk over moeilijke dingen hebben en zo maken we het voor hen en onszelf veilig. Mijn collega’s en ik proberen altijd iemand ertoe te zetten zelf hulp in te schakelen. Dat kan een huisarts zijn of een vertrouwenspersoon of iemand uit hun omgeving: wij zijn ervan overtuigd dat niemand het alleen hoeft te doen of op te lossen. De gesprekken die ik voer bestaan voor het grootste deel uit empathie en verbinding, verder kijk ik samen met hen wat ze nog meer kunnen doen.

"Ik kan niks meer voor je betekenen," zei ik, "want hoe langer ik met jou aan de lijn ben, hoe slechter het met je gaat.”

Zo was er een keer een jonge vrouw op een heel gevaarlijke plek, dat hoorde ik aan de achtergrondgeluiden. We zaten al zeker een half uur aan de telefoon, maar ze raakte meer en meer in paniek. Ik kon haar op geen enkele manier kalmeren. Toen bleek ze middelen in haar handtasje te hebben, en die nam ze al tijdens ons gesprek in. “Luister,” zei ik, “ik kan niks meer voor je betekenen, want hoe langer ik met jou aan de lijn ben, hoe slechter het met je gaat en die middelen zullen inwerken.” Ze raakte wanhopig en we bespraken alle opties, ik vertelde haar dat ze hulp in moest schakelen door 112 te bellen, maar niks hielp. Toen hing ik op.

Dat klinkt misschien ontzettend cru, maar we kunnen nooit een ambulance of andere hulp inschakelen. Naast dat er dan veel loze ritten zouden zijn, willen we te allen tijde garanderen dat iemand een anoniem gesprek heeft. Als we een telefoonnummer of IP-adres doorgeven, valt dat weg. Die anonimiteit draagt bij aan een drempelverlaging, en dat argument wint het dan van iemand redden uit een noodsituatie. Daarnaast kan je iemand die echt zelfmoord wil plegen, niet tegenhouden. Dat is heel hard, maar goed om bij stil te staan als hulpverlener.

Je doet alles wat je kan, maar in de meeste gevallen kom je nooit te weten hoe het afloopt. Dat is moeilijk. Het komt regelmatig voor dat mensen je uitschelden of de meest nare verwijten maken, dat kan ook best veel met je doen. Gelukkig hebben we zowel ’s ochtends als ’s avonds een meeting waarin we de moeilijke gevallen bespreken, en stagiairs, medewerkers, vrijwilligers en de floormanager de gelegenheid krijgen iets te delen. Ook krijg je maandelijks een gesprek met een psycholoog. De cultuur hier op kantoor is gelukkig open, dat is heel fijn. We bespreken ook elkaars gesprekken om te zien wat er nog beter kan.

Een maand later hoorde ik toevallig dat een collega met diezelfde jonge vrouw had gesproken, dat was een opluchting.

Ik krijg vaak heftige verhalen te horen. Vanmorgen chatte ik met een jongen van achttien. Hij had een moeilijk leven gehad, allebei zijn ouders waren tijdens zijn tienerjaren overleden. Hij kwam terecht bij een familielid, die veel spullen had weggegooid van grote emotionele waarde. Daardoor kregen ze bonje en werd hij uit huis geplaatst. Op school werd hij erg gepest en na de lessen wachtten de pesters hem op. Hij ging al een week niet naar school toen hij me belde, omdat hij niet durfde. Ik begreep hem, bedankte hem dat hij om hulp vroeg en zei dat ik me ook heel slecht zou voelen als ik in zijn schoenen stond. Zoiets kan je niet alleen dragen, en we bespraken wie hij zou kunnen inlichten over de nare situatie.

Wat me heel persoonlijk aangreep is toen ik een jongen van zeventien aan de lijn kreeg met leukemie. Het was de tweede keer dat hij het had en dit keer was het een stuk heftiger; hij had maar twintig procent kans om het te overleven. Toen hij me belde lag hij al een maand in het ziekenhuis voor chemo. Hij zei tegen me: “Ik trek dit niet meer, ik wil dit gevecht niet meer. Iedereen ziet mij als die sterke jongen die de kanker gaat bestrijden, maar ik kan niet meer.” Omdat ik iets aan mijn hart heb, lag ik als kind veel in het ziekenhuis. Daarom raakte het me ook zo erg.

Het is belangrijk om mee te geven dat zelfmoord geen taboe is.

Het was tegen tien uur ’s avonds, ik had het gevoel dat ik bijna naast hem aan het bed zat, omdat ik het zó herkende. Ik wist hoe donker die gangen waren ’s avonds, met het geluid van de piepjes van de machines op de achtergrond – dat is heel eenzaam. Twintig procent overlevingskans is ook heel klein, dus ik begreep zijn gevoel van wanhoop en ellende. Ik had ook meegemaakt dat ik na een hartoperatie ontzettend bang was en dacht dat het nooit meer goed zou komen. Toen heb ik de volgende ochtend met een verpleegkundige gesproken, die eigenlijk alleen luisterde. Dat heeft mij toen heel veel geholpen. Ik heb die jongen met leukemie mijn verhaal verteld. Het was toeval dat hij mij aan de telefoon kreeg , maar hij zei dat hij er veel aan had gehad. Iedereen krijgt in het leven te maken met het gevoel van hopeloosheid, wanhoop en eenzaamheid. Op dit soort momenten is het extra belangrijk dat iemand weet dat ze niet alleen met die gevoelens hoeven om te gaan.

Als hulpverlener moet je daar wel goed mee om kunnen gaan. Ik spreek ook relatief veel naasten van mensen die zeggen dat ze dood willen. Ze vragen om advies hoe ermee om te gaan. Zo sprak ik een keer een moeder die er heel betrokken over vertelde dat haar puberzoon erg veel blowde en zwaar depressief was. Hij had al een poging gedaan. Tegelijkertijd wilde ze het draagbaar houden voor de andere gezinsleden, zijn broers en zussen. Die waren een stuk jonger en de moeder wilde haar andere kinderen er niet mee belasten, maar dat was voor haar natuurlijk heel moeilijk. Ik heb zelf ook twee kinderen, al zijn het nu nog peuters, ik kon me goed voorstellen hoe dat voor haar was. Ze deed het al heel goed, gelukkig, en had mensen in haar omgeving die ze in vertrouwen kon nemen en van wie ze steun kreeg.

Het advies dat ik wil meegeven aan naasten is: praat erover, zorg dat zelfmoord geen taboe-onderwerp is en zeg niet dat het niet mág, want daar help je iemand niet mee. Diegene heeft juist behoefte aan steun en verbinding. Verbied het dus niet, maar kijk wel wat de alternatieven zijn en probeer het nuchter te benaderen. Je kan ook uitleggen dat zelfdoding wel een heel definitieve stap is, als je het doet kan je niet meer terug. Andere dingen kun je eerst uitproberen.


Als iemand heel depressief en teruggetrokken is, kan het lastig zijn om iemand te bereiken. Om jongeren van ons bestaan af te laten weten doen we bijvoorbeeld mee aan tv-programma’s als de depressiekennistest van BNN, maar we verwerken ook heel actief zoektermen in onze webteksten. Als iemand woorden of zinnen opzoekt op Google die met zelfmoord te maken hebben, proberen wij op de eerste plek terecht te komen. Ook series als 13 Reasons Why leiden ertoe dat zelfmoord meer wordt gesproken, wat je daar ook van vindt. Ik denk ook dat de optie om te chatten de drempel verlaagt om een gesprek met ons aan te gaan.

Ik ben een heel hoopvol persoon en heb nog nooit iemand gesproken van wie ik me kon voorstellen dat het beter was dat die persoon zichzelf inderdaad van het leven zou beroven. Zelfmoord is een wanhoopsdaad en een impulsieve actie als iemand niet meer weet hoe ze verder moeten. Door altijd te vragen wat iemand goed en minder vond aan het gesprek, en of ze nog verbeteringen voor me hebben, hoop ik een gelijkwaardigheid te creëren. Ik hoor van veel mensen die al hulpverlening hebben dat ook voor hen zelfmoord zelfs bij hun psycholoog of psychiater nog steeds taboe is om over te praten. Onlangs ben ik ergens anders aangenomen als betaald psycholoog. Met alle ervaring die ik bij 113 heb opgedaan kijk ik ernaar uit om mensen met psychische problemen bij te staan. Ik hoop dat ze zich vrij voelen om overal over te praten, want als ik één ding heb geleerd, is dat verbinding het beste medicijn is tegen suïcidale gedachten en psychische problemen. Zo niet het enige.

-

In verband met de mediarichtlijn zijn enkele details, zoals methodes, weggelaten.

Denk jij aan zelfdoding? Of ken jij iemand die aan zelfdoding denkt? Hulp zoeken werkt echt. Start een anonieme chat op www.113.nl (113 Zelfmoordpreventie) of bel 0900-0113.