Quantcast
lichamelijke gezondheid

Ik woog 29 kilo

Hoe minder ruimte ik innam, hoe beter, dacht ik.

Kelly Uchima

Kelly Uchima

Let op: dit artikel bevat expliciete beschrijvingen van eetgestoord gedrag.

Toen ik tien was noemde mijn basisschoolvriendje me mollig. Die dag besloot ik te stoppen met eten. Ik was 1 meter 24 en binnen 8 maanden viel ik 18 kilo af, zodat ik mijn laagste gewicht ooit bereikte: 29 kilo. Ik was vel over been. Hoe minder ruimte ik innam, hoe beter, dacht ik.

Ondanks de groeiende bezorgdheid van mijn ouders, vond ik niet dat er iets mis met me was. Het voelde alsof iedereen die me smeekte om te eten gewoon mijn succes probeerde te saboteren. Ik streefde ernaar dagelijks minder dan vijfhonderd calorieën te eten. Ik wilde zelfs geen water drinken.

Uiteindelijk nam mijn moeder me mee naar een dokter, die zei: "Koop een biefstuk. Bak 'm met zout en peper en zorg dat ze alles opeet." Als tienjarige had ik weinig te vertellen over wat ik wel en niet deed, dus duwde ik de biefstuk door mijn strot.

Aan de buitenkant was ik herstellende. Toen ik 14 werd, was ik 13 kilo aangekomen. Op mijn eenentwintigste, 22 kilo. (Ik groeide in diezelfde tijd maar 2,5 centimeter.) Ik zette foto's van mijn vooruitgang op Instagram.

Maar van binnen voelde ik een enorme druk om er dun en zelfverzekerd uit te zien. En hoe dun ik er ook uitzag, ik was allesbehalve zelfverzekerd. En ik was niet gelukkig of gezond – de enige reden dat ik aangekomen was, was dat ik mijn anorexia compenseerde met eetbuien. Ik at gedurende de dag zo min mogelijk, totdat ik 's avonds zo'n honger had dat ik alles wat ik maar kon vinden naar binnen propte. De eerste paar happen gaven voldoening, maar daarna voelde ik me al snel opgeblazen en overvol, en walgde ik van mezelf. Als ik daar niet mee kon dealen, ging ik meteen naar bed. Slaap was een manier om even te ontsnappen aan m'n gevoelens. Ik haatte mezelf, en kon de gedachte dat ik weer 'de mist in was gegaan' niet aan.

Als ik 's ochtends wakker werd, haatte ik mijn lichaam en mezelf. Ik probeerde mijn eetbuien te compenseren door mijn dieet nog verder aan te scherpen. Soms sliep ik hele dagen omdat ik in ieder geval niet kon eten als ik sliep. Ik sportte twee uur per dag. Ik was obsessief bezig met alles wat ik at er weer af te trainen. Net als de eetbuien hielp het fanatieke sporten me om mijn gevoelens weg te stoppen.

Twee jaar geleden, nadat ik bij de studentenarts hulp zocht voor depressie, werd ik doorverwezen naar een therapeut. Zij vertelde me dat ik een eetstoornis had. Ondanks dat ik meer dan een decennium had geworsteld met mijn gewicht en eten, had ik me dit nog nooit gerealiseerd. Niemand had het me ooit verteld.

Toen ik accepteerde dat ik een eetstoornis had, hielp dit me om te realiseren dat de oplossing voor mijn problemen niet lag in een bepaald gewicht of figuur. Afvallen zou me niet helpen om meer zelfvertrouwen te krijgen of gelukkiger te worden. Ik moest van mezelf gaan houden – hoeveel ik ook woog.

Nu, op mijn 23e, ga ik nog steeds elke week naar therapie. Mijn herstel draait om mezelf niet meer haten. Wanneer ik terugval in mijn oude patronen, weet ik dat ik diep vanbinnen nog steeds goed ben. Ik neem het mezelf niet kwalijk wanneer ik een extra schep ijs probeer te compenseren door mezelf de volgende dag uit te hongeren.

Mijn herstel draaide voor een groot deel om het weer in contact komen met mijn lichaam. Vroeger wilde ik niet accepteren dat ik zelf in mijn lichaam zat. Ik wilde mijn lichaam controleren, oplossen, me er niet mee verbinden. Ik vond het vies. Op een dag vroeg mijn therapeut me om mijn hand op mijn buik te leggen. Probeer eens je hand op je buik te leggen zonder hem in te houden. Voelt gek, toch? Een beetje ongemakkelijk?

Ik ben gaan omarmen dat ik echt in dit lichaam zit en voel me daar elke dag een beetje prettiger bij. Ik heb me op gewichtheffen gestort en als ik grote bewegingen maak, zoals squats of deadlifts, aarzel ik niet om de Valsalva-manoeuvre te doen (dat is als je inademt en je buik uitzet om meer kracht te kunnen zetten). Ik voel me een baas. Ik voel me sterk en ben trots op wat mijn lichaam kan. Hoe meer spieren ik krijg, hoe meer ik weet dat ik niet meer wil verdwijnen, dat ik het heerlijk vind om ruimte in te nemen. Mijn lichaam verdient een plek in deze wereld.