Ook na eindeloos veel therapie heb ik nog hypochondrie

Sommige mensen krijgen een hoestbui en halen hun schouders op. Ik voel een kriebel in mijn keel en vraag me af hoelang ik nog te leven heb.

door Jacky Overmeen; illustraties door Elzeline Kooy
|
okt. 10 2018, 8:51am



Zomaar een bericht dat op mijn tijdlijn voorbijkomt: een vrouw, een willekeurige vreemdeling, vertelt over hoe ze het soms ineens heel benauwd krijgt. Dat heeft ze al een tijdje. Hé, denk ik, ik ben ook al een tijdje benauwd. De vrouw dacht dat het stress was. Hyperventilatie. Ik heb ook altijd hyperventilatie. Ze is blij dat de arts zo goed heeft gereageerd. Zou een arts bij mij ook zo adequaat handelen?

Ik word steeds benauwder. Het gevoel uit mijn linkerarm is bijna helemaal weggetrokken. Mijn vingers tintelen, mijn hart bonst. Ik moet weten wat die vrouw heeft gehad. Ik moet weten of ik ook een risico loop. Ik moet weten op welke signalen mijn dokter moet letten.

Zo gaat het dagelijks. Er is altijd wel iets wat ik ook zou kunnen hebben.

Wat ik sowieso heb: hypochondrie, een stoornis die zich richt op angst voor ziekten. Ik kreeg de officiële diagnose op mijn negentiende. Ik ben vooral bang dat er iets mis is met mijn hart, longen of hersenen. Maar ook een simpel pijntje in mijn rug kan me al overstuur maken. Wat als ik zwakker ben dan anderen, waardoor het levensbedreigend is? Bij een kleine steek in mijn grote teen denk ik dat er misschien wel een bloedprop naar boven toe vliegt, een vastzittende boer beneemt me letterlijk de adem.

Bij een kleine steek in mijn grote teen denk ik dat er misschien wel een bloedprop naar boven toe vliegt, een vastzittende boer beneemt me letterlijk de adem.

De afgelopen jaren heb ik eindeloos veel therapie gehad. Van kinderpsychologen toen ik tien jaar was tot een klinische opname op mijn twintigste. Psychomotorische therapie, dramatherapie, schematherapie, traumatherapie, mindfulness, exposure-behandelingen. Het resultaat was bij elke behandeling redelijk. Ik kan beter met mijn angsten omgaan, maar ze zitten nog steeds constant in mijn hoofd.

Ik kan je inmiddels alles vertellen over mijn aandoening. Je zou immers een waardeloze hypochonder zijn als je niet tenminste één episode van dwangmatig speurwerk hebt gehad (les één in de hypochondrie: google nooit naar ziektes). Tot ik psychologie ging studeren aan de universiteit, dacht ik heel veel te weten over het brein, cognitie, problematiek en het menselijk lichaam.

Maar al aan het begin van mijn studie kwam ik erachter dat er nog een andere kant is: hypochondrie is meer dan alleen maar dwangmatig bezig zijn met ziekte. Het kan ook vanuit heel lullige fysieke sensaties komen. Veel mensen met hypochondrie verkeren in een sterk verhoogde staat van fysiologische opwinding: ze zijn veel gevoeliger zijn voor stimuli, in het lichaam en vanuit de omgeving.

Ik weet ook dat mensen met deze ‘hypervigilance’ gevoeliger zijn om paniekstoornissen te ontwikkelen en dat ze sneller angstig worden van een lichamelijke sensatie. Sommige mensen voelen een steekje en halen hun schouders op. Ik voel een steekje en voor ik het weet heb ik een hartslag van 150 en vraag ik me af hoe lang ik nog te leven heb.

Ik durf geen schoonmaakmiddelen aan te raken, omdat ik bang ben dat ik ze per ongeluk binnenkrijg en doodga.

Mijn angst is er altijd en overal. Ik zie in alles grote gevaren. Ik durf geen schoonmaakmiddelen aan te raken, omdat ik bang ben dat ik ze per ongeluk binnenkrijg en doodga. Ik ben bang voor het griepseizoen omdat ik misschien wel een longontsteking krijg. Ik vind elke vorm van inspanning eng, omdat ik in paniek raak van mijn bonzende hart. En ik stel al mijn toiletbezoeken uit omdat ik best een hartaanval zou kunnen krijgen op de wc. Ik ben doodsbang dat ik de hoofdrol ga spelen in een absurde krantenkop: ‘Vrouw (28) overleden tijdens het poepen’.

Door mijn klinische opname ben ik inmiddels bekend met mijn valkuilen en kan ik fysieke sensaties beter een plek geven. Daardoor zeg ik bijna geen afspraken meer af en ben ik redelijk stabiel in mijn angst. Als ik voldoende rust heb, gaat het wel aardig, maar één afspraak per week is eigenlijk al te veel en ik ben gesloopt als de afspraak erop zit. Ik moet het zorgvuldig plannen, zodat ik genoeg tijd heb om me voor te bereiden en om de spanning eruit te slapen zodra het erop zit.

Ik krijg daar vanuit mijn omgeving niet zo veel begrip voor. Als ik mensen vertel over mijn klachten, dan lachen ze die weg. Echte hypochondrie is moeilijk te begrijpen: anderen zien het niet als iets wat je leven enorm kan beïnvloeden, of ze zeggen dat ze zelf ‘ook zo’n hypochonder’ zijn. Geen probleem, maar na tien van zulke reacties bespaar ik me liever de tijd en moeite om het uit te leggen.

Dat komt ook omdat mensen geneigd zijn adviezen te geven waar ik, hoe goed ze ook bedoeld zijn, helemaal niks aan heb. Vaak krijg ik te horen dat ik moet gaan sporten, maar dat durf ik niet. Ik krijg te horen dat ik moet gaan mediteren, een lavendelplant moet kopen, een cursus hooggevoeligheid moet volgen, elke dag mijn drukpunten moet activeren…

Veel mensen zijn geneigd zijn adviezen te geven waar ik, hoe goed ze ook bedoeld zijn, helemaal niks aan heb.

Er zijn mensen die zeggen dat ik "gewoon veertig uur moet gaan werken". Ik ben met het schrijven van dit stuk alleen al drie keer opgestaan omdat ik volledig in paniek raakte en mijn hart mijn lichaam uit bonsde. Geen werkgever neemt toch iemand aan die in een vergadering plotseling overeind schiet en haar armen omhoog steekt, omdat ze denkt dat ze een herseninfarct heeft en wil checken of beiden kanten van haar lichaam nog werken.

Als mijn angst heel groot is en ik niet in paniek ‘mag’ raken – tijdens een afspraak bijvoorbeeld – ga ik dissociëren. De wereld trekt letterlijk aan me voorbij, ik beweeg en praat op de automatische piloot. Stemmen klinken hol, herrie wordt een golvende ruis die me maar half bereikt. Soms houdt die dissociatie een week of langer aan. Vaak is die ene verjaardag van een familielid het me gewoon niet waard om me zo te voelen en blijf ik liever thuis.

En toch ben ik best wel tevreden over mijn leven. Het is niet zo dat ik anders gewend ben; ik heb mijn klachten altijd gehad. Ik heb lieve ouders, leuke vrienden en een relatie met iemand die compleet anders in elkaar zit, waar ik veel houvast aan heb. Als hij ook zo labiel was geweest, zou het mijn klachten alleen maar versterken. Mijn vriend neemt me mee naar buiten in de weekenden. Ik vraag me dan hardop af wat er gebeurt als je middenin het bos een hartaanval krijgt en hij haalt zijn schouders op en zegt: “Dat zien we dan wel weer.”

Ik richt mijn leven zo in dat ik kan doen wat ik wil doen, maar ook de ruimte heb om in paniek te raken als dat gebeurt. Ik doe heel veel dingen vanuit huis. Ik schrijf, ik studeer nog steeds en dat gaat wonderbaarlijk goed, ik spreek af met vrienden, duik soms op donderdagavond de kroeg in en neem de hele vrijdag voor mezelf om te herstellen. De hypochondrie hoort er gewoon bij. Het is een deel van me, maar ik laat het niet langer mijn hele leven bepalen.