Door body dysmorphic disorder voel ik me van kinds af aan lelijk

Het ergste vond ik nog wel dat anderen dachten dat ik eigenlijk heel ijdel was.

|
30 april 2018, 9:12am

De auteur. Foto door Bianca Toeps

Iedereen heeft weleens onzekerheden, maar bij mensen die aan body dysmorphic disorder (BDD) lijden ontwikkelen die onzekerheden zich tot een obsessie. Die obsessie neemt langzaam maar zeker je hele leven over.

Mijn BDD ontwikkelde zich volledig parallel aan mijn eetstoornis. Naarmate mijn boulimia verergerde, intensiveerde ook mijn BDD. De eerste symptomen staken de kop op toen ik een jaar of 11 was, en een jaar daarna was ik volledig ondergedompeld in de put die ook wel ‘ingebeelde lelijkheid’ wordt genoemd.

Zeker weten zal ik het nooit, maar ik vermoed dat mijn ziektebeeld terug te leiden is naar het feit dat ik mijn zelfvertrouwen als kind altijd gehaald had uit het feit dat ik ‘de slimste van de klas’ was. Als 12-jarige vertrok ik als volleerd brugpieper naar het tweetalig gymnasium, wat inhield dat er tijdens vrijwel al mijn lessen Engels gesproken werd. Probleem was alleen dat ik op dat moment nog geen woord Engels sprak, en ik gedurende de eerste paar maanden bizar weinig meekreeg van wat er allemaal gezegd werd tijdens de lessen. Urenlang bracht ik door in mijn slaapkamer, met mijn Engelse woordenboek aan mijn zijde.

Nog steeds haalde ik hoge cijfers, maar het kostte me allemaal veel meer moeite dan voorheen. Ik begon een intense zelfhaat te ontwikkelen, en daarmee een bijzonder ongezond copingmechanisme: mijn eetstoornis, waarover ik eerder al schreef. Die eetstoornis werd overigens door meerdere factoren veroorzaakt; deze aandoeningen zitten bijvoorbeeld bij ons in de familie. Ook had ik er het perfecte karakter voor: ik was onzeker, extreem perfectionistisch (op het neurotische af), leed aan een ziekelijke vorm van faalangst, en was altijd al heel hard voor mezelf geweest. Daar werd ik zo rond mijn twaalfde depressief. Mijn zelfhatende blik had als gevolg dat niet alleen mijn eetgewoonten bijzonder ongezond werden, maar ook dat ik een ziekelijke fixatie ontwikkelde voor mijn gezicht. Mijn drang naar perfectie, die altijd al aanwezig was geweest, begon steeds extremere vormen aan te nemen en zich nu dus ook op mijn eigen fysieke verschijning te richten.

Die eerste jaren wist ik het nog aardig onder bedwang te houden, maar naarmate ik ouder werd en ik verder wegzakte in mijn depressie, werd dat steeds moeilijker. Als ik in de spiegel keek, zag ik een weerzinwekkend, misvormd en volledig mismaakt monster. Ik douchte in het donker, met een waxinelichtje op het randje van mijn wastafel, zodat ik zo min mogelijk geconfronteerd werd met mijn afstotelijke lichaam.

Ik had een schrift waarin ik opschreef welke chirurgische ingrepen ik allemaal uit zou laten voeren op mijn gezicht en lichaam, als ik eenmaal genoeg geld gespaard had.

Zo rond mijn vijftiende werd ik officieel gediagnosticeerd met een depressie, boulimia nervosa en BDD. Om de haverklap meldde ik me ziek op school. Er waren dagen dat ik simpelweg te lelijk was om naar buiten te gaan. En ik kon het de rest van Nederland niet aandoen om me op zulke dagen naar buiten te begeven, waar ze onvermijdelijk geconfronteerd zouden worden met mijn uiterlijk. Soms wachtte ik na schooltijd tot het donker was, in de bibliotheek. Dan kon ik in het donker terug naar huis reizen, en werden mensen in het openbaar vervoer minder hard geconfronteerd met mijn gezicht. Ieder jaar was het dan ook weer een enorme opluchting wanneer het winter werd, en daarmee de dagen korter.

Ook op de relatief 'betere' dagen ging het allemaal niet van een leien dakje. Als mijn moeder me vroeg wat boodschappen te halen bij de supermarkt, stond ik met gemak drie uur voor de spiegel voor ik eindelijk de deur uit was. Dan analyseerde ik mijn gezicht tot in den treure, en probeerde ik de meest verachtelijke delen van mijn hoofd nog een beetje te verhullen met make-up. Ik had een schrift waarin ik opschreef welke chirurgische ingrepen ik allemaal uit zou laten voeren op mijn gezicht en lichaam, als ik eenmaal genoeg geld gespaard had. Al was ik in een ideaal, parallel universum eigenlijk het liefst een volledige gezichtstransplantatie ondergaan.

Wanneer ik mensen in het openbaar vervoer, tijdens het uitgaan, op straat of in de klas hoorde lachen, nam ik automatisch aan dat ze moesten lachen om hoe dik of lelijk ik was. Ik kon het ze zelfs horen zeggen, beeldde me dingen volledig in. “Wow, zie dat dikke wijf daar.” “Haha, kijk even hoe lelijk zij is.” Als dat in de bus naar school gebeurde, nam ik zonder pardon de bus terug naar huis, om vervolgens de hele dag in bed te kruipen. Naar buiten kwam ik op zulke dagen niet meer.

Ik vond het vreselijk om opgesloten te zitten in zo’n afstootwekkend lichaam. Zelfmoordgedachten staken steeds vaker de kop op, en ik fantaseerde bijna dagelijks over hoeveel rust ik eindelijk zou ervaren als ik dood zou zijn.

Het ergste vond ik misschien nog wel dat andere mensen in mijn directe omgeving uit mijn gedrag dachten af te kunnen leiden dat ik eigenlijk heel ijdel was. “Lot, waarom kijk jij zo vaak in de spiegel? Wat ben je toch een vreselijke ijdeltuit,” werd er regelmatig gezegd. Ik droeg ten alle tijden meerdere handspiegeltjes mee (voor de zekerheid, als ik de rest kwijt zou raken), waar ik minstens een paar keer per uur in keek.

Instagram bestond in die jaren nog niet, maar ik maakte met mijn BlackBerry wel altijd de nodige selfies die ik op mijn Hyves plaatste. Ook dat strookte voor veel mensen niet met de afschuw die ik voor mijn eigen uiterlijk ervoer. “Pff, waarom maak jij zoveel foto’s van jezelf? Vind je jezelf zo lekker?” Terwijl ik die foto’s juist om de compleet tegenovergestelde reden maakte: meestal schoot ik er een stuk of vier- of vijfhonderd, waarvan er dan uiteindelijk eentje nét mee door kon. Mooi vond ik mezelf niet op zo’n foto; wel net acceptabel genoeg om die dag naar buiten te mogen. Ik was constant op zoek naar validatie. Van andere mensen kreeg ik die ook wel, maar van zelfvalidatie was nooit sprake.

Ik was bang dat een psycholoog mijn onzekerheden alleen maar zou bevestigen. “Maar je bent ook gewoon heel lelijk, dus we kunnen je niet verder helpen.” Zoiets.

In de zesde klas van het vwo – ik was toen achttien – kreeg ik een relatie met de man waar ik nu nog steeds mee samen ben. Maandenlang had ik het vermoeden dat hij mij initieel alleen maar aangesproken had, omdat hij een weddenschap verloren had van zijn vrienden. Er was in mijn beleving geen enkele andere logische verklaring voor het feit dat hij überhaupt interesse in me had getoond, laat staan dat hij me wilde daten. Inmiddels realiseerde ik me maar al te goed dat mijn gedrag en gedachtenpatroon allesbehalve rationeel waren; ik was me ervan bewust dat ik hulp nodig had. Toch was ik bang dat, als ik eenmaal professionele hulp zou zoeken, de psycholoog in kwestie mijn onzekerheden alleen maar zou bevestigen. “Maar je bent ook gewoon heel lelijk, dus we kunnen je niet verder helpen.” Zoiets. Toen al besefte het rationele stemmetje in mij dat die gedachte idioot was, maar hij weerhield me er wel jarenlang van om hulp te vragen.

In datzelfde schooljaar spijbelde ik zoveel om maar niet naar buiten te hoeven gaan, dat een docent me apart nam en me vertelde dat er, als ik zo doorging, een leerplichtambtenaar ingeschakeld zou worden. Ik wilde niets liever dan mijn middelbare school zo snel mogelijk afmaken, maar kon het simpelweg niet opbrengen. Ik was een gevangene van mijn eigen psyche geworden en kon geen kant op.

Niet lang daarna organiseerden mijn ouders een interventie, voornamelijk gericht op mijn eetstoornis, en na jaren van ontkenning ging ik dan eindelijk een intensieve behandeling aan in een gespecialiseerde kliniek voor eetstoornissen, vlakbij Leiden. Eetstoornispatiënten ontwikkelen niet zelden een ziekelijke fixatie op één of meerdere lichaamsdelen, en gelukkig werd er tijdens mijn behandeling dan ook genoeg aandacht besteed aan mijn BDD en bijkomende depressie.

Sindsdien is het vallen en opstaan geweest. Als ik periodes doormaak waarin ik veel stress ervaar, bijvoorbeeld op de werkvloer of in mijn relatie, heeft dat ook zijn weerslag op mijn eetstoornis en BDD. Naar mijn idee zal BDD bij mij niet volledig genezen, evenmin als mijn eetstoornis, en daar heb ik me na een jarenlange strijd bij neergelegd. Nog steeds zijn er dagen waarop ik denk dat iedereen over me aan het praten is. Nog steeds zijn er dagen waarop ik het liefst de hele dag in bed blijf liggen, om maar niemand onder ogen te hoeven komen. Nog steeds zijn er dagen waarop ik mijn make-up vijf keer op doe en weer weghaal – het heeft allemaal geen nut, want lelijk blijf je toch, zegt het stemmetje in mijn hoofd dan. Door alle therapie die ik gevolgd heb, ben ik nu alleen beter in staat dat stemmetje te negeren en haar, wanneer de situatie daarom vraagt, toe te schreeuwen dat ze haar bek moet houden. ‘s Ochtends zet ik als ik mijn make-up doe bijvoorbeeld een wekkertje, zodat ik niet verzand raak in het over-analyseren van mijn hoofd (en als de wekker dan gaat, moet ik mijn make-uptasje ook echt wegzetten). Op dagen dat het heel slecht gaat, probeer ik toch tenminste één keer naar buiten te gaan, al is het maar om boodschappen te doen.

Mooi ga ik mezelf nooit vinden. Wel oké genoeg om naar buiten te mogen.

Naar schatting heeft één tot twee op de honderd mensen (in meerdere of mindere mate) last van BDD. Mensen die een cosmetische ingreep laten doen, blijken er vaker last van te hebben. Als je jezelf herkent in bovenstaande problematiek, neem dan contact op met je huisarts, die je – indien nodig – kan doorverwijzen naar een psycholoog. BDD is door middel van psychotherapie goed te behandelen. Op BDD-Info.nl is meer informatie over deze aandoening te vinden.