Quantcast

Denken dat je aan slapeloosheid lijdt kan nog vervelender zijn dan echt slecht slapen

Het hebben van deze "insomnie-identiteit" kan reële gevolgen hebben, zoals depressie, angsten en zelfmoordgedachten.

Jesse Hicks

Afbeelding via Peter Glass/Getty Images

Bijna iedereen heeft weleens een nacht slecht geslapen – waarschijnlijk wel meer dan één. Maar zo nu en dan een paar rusteloze nachten doormaken is natuurlijk lang niet hetzelfde als aan chronische slapeloosheid (ook wel insomnie) lijden, waardoor het je constant extreem veel moeite kost om in slaap te vallen. Een nieuw artikel in Behaviour Research and Therapy onderzoekt de zogenaamde insomnie-identiteit, waarbij mensen ervan overtuigd zijn dat ze aan chronische slapeloosheid lijden, terwijl dat eigenlijk niet zo is.

Zelfs mensen die objectief gezien goed slapen kunnen van dit idee overtuigd zijn, net zoals slechte slapers omgekeerd kunnen denken dat ze geen slaapgebrek hebben. En die zelfdiagnose kan nog best van grote invloed zijn. De auteur van het stuk, Kenneth Lichstein, bestudeerde voor dit onderzoek twintig eerdere onderzoeken. Hij constateerde dat het gammele, futloze gevoel na een slapeloze nacht beter voorspeld kon worden aan de hand van of mensen dáchten dat ze last hadden van chronische slapeloosheid, dan aan de hand van of mensen werkelijk slecht hadden geslapen.

Hoe kan dat? Intuïtief bekeken zou je denken dat de meeste mensen hun slaapgedrag best goed kunnen inschatten. Jij weet beter dan wie ook hoe je je 's morgens voelt (of ’s middags, laten we daar vooral niet over oordelen). Als je wat langzamer functioneert en het idee hebt dat alles wat moeilijker gaat dan normaal gesproken, leg je misschien wel de link met je slechte nachtrust. Net zoals dat je, wanneer je als herboren wakker wordt, waarschijnlijk denkt dat dit te danken is aan het feit dat je als een engeltje geslapen hebt.

Toch constateerde het onderzoek dat ongeveer een kwart van de bevolking uit "ontkoppelde slapers" bestaat. Hun oordeel over hoe ze sliepen staat los van hoe ze werkelijk sliepen. (Polysomnografie, een onderzoek dat hersengolven en andere fysiologische kenmerken van de slaap meet, kan dit onderscheid aantonen. Ook slaapdagboeken kunnen helpen onderscheid te maken tussen feiten en fictie.) Mensen die prima sliepen klaagden dat ze niet goed hadden geslapen, terwijl sommige mensen die armzalig sliepen helemaal niet klaagden.

Nog belangrijker: de mensen die dachten dat ze last hadden van chronische slapeloosheid – en dan hebben we het over klagende, goede slapers die de insomnie-identiteit hadden omarmd – hadden overdag meer last van een gebrek aan energie dan niet-klagende, slechte slapers. Dat betekent dat de eerste groep echte, fysieke consequenties ondervond als gevolg van het feit dat ze ervan overtuigd waren aan chronische slapeloosheid te lijden. Volgens het onderzoek kan het hebben van deze insomnie-identiteit reële gevolgen hebben, waaronder een groter risico op zelfstigmatisering, depressie, zelfmoordgedachten, angsten, hoge bloeddruk en vermoeidheid.

Lichstein is professor in de psychologie aan de University of Alabama. Hij berekende dat 37 procent van de mensen in het onderzoek dat klaagde over insomnie “volgens de conventionele standaarden niet slecht sliep.” Het waren geen kampioenslapers, maar ze vielen in de categorie 'normaal'. Ondertussen vertoonden veel mensen met een werkelijk verstoord slaapritme geen van de symptomen die eigenlijk bij chronische slapeloosheid horen.

Het verschil kan te wijten zijn aan hoe mensen over slaap denken, zegt Lichstein. De zelfverklaarde insomniepatiënt heeft mogelijk onrealistische verwachtingen van de kwaliteit van de slaap; ze overdrijven kleine problemen of denken dat deze klachten symptomen zijn van een groter probleem. Na een paar goede nachten kan één enkele slechte nacht een teken zijn dat hun “insomnie” terug is. Voor deze mensen verandert slaap in een diepe put vol angst, wat in slaap vallen natuurlijk alleen maar moeilijker maakt.

In zulke gevallen kan het verstandiger zijn om de geest te behandelen dan het lichaam. Lichstein raadt cognitieve gedragstherapie aan, waarmee insomnie succesvol kan worden behandeld. Mindfulness kan ook helpen, net zoals de dialectische methode waarbij patiënten gevraagd wordt hun aannames over normale slaap en hun identiteit als slapeloze uiteen te zetten. Zulke interventies kunnen ervoor zorgen dat ze meer grip krijgen op hun situatie, en als gevolg daarvan beter slapen.

Tonic is de nieuwe site over gezondheid van VICE. Volg ons op Facebook.