Quantcast

Ik werk met extreem agressieve mensen met een verstandelijke beperking

Toen ik ingewerkt werd, vroeg ik me af waar ik in godsnaam was beland.

DoorAnoniemzoals verteld aanEsmee Schenck De Jong

Op mijn eerste dag deed een vriendelijke maar ietwat vreemde vrouw open. Ze heette me welkom en zei dat zij me die dag zou inwerken. We liepen door een lange gang met een dozijn deuren – die, zoals ik snel zou ontdekken, op slot konden – richting een gezellige woonkamer met daarachter een grote tuin.

Ik nam alles rustig in me op, tot er opeens een man met een enorm stuk hout in zijn hand met een rotvaart de woonkamer binnenstormde. Hij smeet het stuk hout schreeuwend door de ruit, die natuurlijk meteen aan diggelen viel. Toen hij zich omdraaide, schrok ik nog meer. Hij zag eruit als een personage uit een horrorfilm: een grote bos verward haar, zijn hele lichaam onder de littekens en een paar dagen daarvoor had hij een stuk van zijn gezicht eraf gekrabd, waardoor de linkerhelft was bedekt met een grote, onregelmatige korst.

Mijn nieuwe collega wierp hem zonder blikken of blozen op de grond, begeleidde hem in een paar tellen naar zijn kamer, en legde me vervolgens uit hoe het koffieapparaat werkte.

Ik vroeg me af waar de fuck ik was beland.

Inmiddels hebben die man en ik een heel hechte band opgebouwd, en is het glas gepantserd.

Ik werk al jaren bij een Nederlandse instelling voor verstandelijk beperkten met moeilijk verstaanbaar gedrag. De mensen waarmee ik werk zijn extreem agressief. Over het algemeen hebben ze het denkvermogen van iemand van drie, en de meesten hebben ook een psychiatrische stoornis. Die agressie kan zich op allerlei manieren uiten: naar zichzelf toe (automutilatie), of naar andere bewoners en begeleiders. Naast schoppen, slaan en knijpen is vooral het bijten ernstig – het is namelijk moeilijk om jezelf af te weren van iemand die dat doet. Als iemand je bijt, ben je vaak echt een stuk vlees kwijt. Ik zit altijd onder de wonden en blauwe plekken.

Voordat ik bij de instelling begon, heb ik een aantal dagen training gehad, waarbij ik op een judomat leerde hoe je mensen op de meest respectvolle en pijnloze manier onder controle krijgt. Ook leerde je praktische dingen om het zo veilig mogelijk te maken voor jezelf, zoals hoe je bij iemand schoenen aandoet. Als je voor iemand knielt, is het vragen om een trap in je gezicht.

Ik kan het niet met honderd procent zekerheid zeggen, maar ik denk dat veel van de cliënten een andere vorm van prikkelverwerking hebben.

Zo beet iemand doodleuk een stuk uit zijn arm. Zonder ook maar een spier te vertrekken, kauwde hij op het vlees. Hij zat maar een beetje voor zich uit te staren. Dat bewoners een stuk vlees uit hun hand trekken of hun gezicht afpellen of zoiets, gebeurt regelmatig. Er is een medische faciliteit op het terrein van de instelling, dus alleen bij ernstige verwondingen hoeft iemand naar het ziekenhuis.

De bewoners slopen trouwens ook veel andere dingen dan hun lichaam. Ik denk dat het hele interieur minstens één keer is vervangen in een jaar. Zelfs de allersterkste spullen die zijn gemaakt voor zulke instellingen gaan kapot.

Ik zette laatst een cliënt onder de douche, liep weg en kwam vijf minuten later terug. Je zag niet eens meer dat er ooit een douche had gehangen: er zat een groot, gapend gat. Ook wc-potten worden regelmatig in stukken geslagen.

Er woont ook een man die een obsessie heeft met emmers. Als hij er eentje ziet, moet hij hem gewoon kapot bijten. Meestal worden ze opgeborgen, maar als er een nieuwe schoonmaker is, vergeten ze dat nog weleens. We noemen hem de emmerbijter. Zo noemt hij zichzelf ook trouwens. Als het weer is gelukt, rent hij trots rond en roept hij: "Emmerbijter! Emmerbijter!" Het zorgt altijd voor veel gegrinnik op de afdeling.

Er gebeuren de hele dag door grappige dingen – dat maakt het werk ook zo leuk. Zo is er een vrouw die luiers draagt, en razend wordt als we die niet snel genoeg verschonen. Dan rent ze gillend achter de begeleiders aan en probeert ze ons te bekogelen met haar poepluier. Iedereen doet mee aan de show en spurt dan giechelend weg. Elke week is het wel een paar keer raak, figuurlijk, maar soms helaas ook letterlijk. Gelukkig zijn er genoeg douches.

Ik heb een heel hechte band met alle bewoners op de afdeling. Hoe langer je ze kent, hoe meer je de persoon leert kennen. Ik ben bijna een soort vaderfiguur voor ze, dat vind ik heel fijn. Ik behandel ze met respect, ook al moet ik er veel de hele dag door fixeren.

Iemand naar de grond werken voelt voor mensen uit mijn vak alsof je de afwas doet, zo weinig doet het met je. Sommige mensen doen het terwijl ze met een collega hun weekend bespreken. Vaak is fixeren een vorm van veiligheid; ze hebben behoefte aan fysieke en mentale sturing. Het is natuurlijk wel een uiterste redmiddel, we doen alles om het te voorkomen. Je kan iemand onder bedwang krijgen door iemand op zijn buik te leggen of op een stoel vast te zetten, maar ook door iemand een taak te geven. Als ze een taak krijgen, zoals puzzelen of poetsen, zijn ze niet meer zo gefocust op hun agressie.

Inmiddels ken ik ze zo goed, dat ik precies weet wat voor gedrag er vooraf gaat aan een woede-uitbarsting. De meesten gaan heel hard gillen, maar het gebeurt ook dat ze met dingen gaan gooien of, zoals een van de cliënten, heel hard gaan springen. Net een skippybal.

Eén keer zag ik het niet aankomen, toen ben ik flink in de shit gekomen. Onderweg naar de dagbesteding rende een van de cliënten ineens weg en beet een omaatje in een rolstoel in haar hand. Hij liet maar niet los. Degene die de rolstoel duwde, raakte helemaal overstuur en trok als een woesteling aan de bijter. Op een voorzichtige manier maakte ik duidelijk dat het niet handig is aan iemands arm te trekken, omdat een arm makkelijker uit de kom gaat dan je zou denken.

Terwijl ik en een andere begeleider worstelden met de bijter, kregen de andere cliënten een bezem in hun hand geduwd om bladeren bij elkaar te vegen. Woedebuien zijn namelijk besmettelijk. We pasten een kaakklem bij hem toe, en hij liet eindelijk los. Mijn collega doet het werk al zo lang, dat hij zich niet meer kan voorstellen hoe heftig het is wanneer iemand je zomaar aanvalt. Hij zei: "Sorry mevrouw. Kan gebeuren!" Toen liep hij weg. Ik heb het nog met ze uitgepraat, maar daarna zijn we vergeten te bellen of een brief te sturen, dus ze waren behoorlijk boos. Niet zo gek ook.

Op seksueel vlak zijn de cliënten ook anders ontwikkeld. Er zijn zowel mannen als vrouwen op onze afdeling, maar ze zijn totaal niet met elkaar bezig. Al zijn er wel een paar uitzonderingen; bij die mensen doen we de deur 's nachts op slot, anders bespringen ze elkaar. Ze kennen het gevoel schaamte niet. Zo is er een man die steevast de woonkamer binnenloopt om het wondere goedje op zijn hand te laten zien. "Het is gelukt! Het is gelukt!", zegt hij dan opgewonden, waarop ik dan antwoord dat hij eerst het sperma maar even van z'n handen moet wassen voordat hij de tafel gaat dekken.

Er zijn veel cliënten die veelvuldig masturberen. Als ze dat in de openbare ruimte doen, begeleiden we ze naar hun kamer, maar op hun kamer mogen ze uiteraard doen waar ze zin in hebben. Als er nieuwe werknemers zijn, sturen we ze naar de rukkers met de opdracht om de handdoeken te vervangen of zo.

Dat soort grapjes halen we de hele dag door uit. Cliënten doen daar even hard aan mee, ze snappen simpele grapjes wel. Bij hen halen we ook grapjes uit, maar alleen grapjes die ze snappen. Zo is iedereen voor een verschillende voetbalclub – dan hangen we posters van een rivaliserende club op als ze naar dagbesteding zijn. Daar kunnen ze hard om lachen. Er wordt erg serieus gewerkt, maar die grapjes maken de heftige omgeving behapbaar. Ook al zijn mijn collega's en ik helemaal afgestompt als het om agressie gaat, je moet wel blijven lachen.

In onze reeks 'Hospital Confessions' vertellen anonieme zorgverleners hun verhaal.